CRvB 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:387

Tussen partijen is in geschil of de Svb op het AOW-pensioen van betrokkene een korting heeft mogen toepassen voor het tijdvak 13 oktober 1978 tot en met 22 december 1984, hoewel dit tijdvak in het pensioenoverzicht als verzekerd tijdvak stond vermeld. De door de Svb toegepaste beleidsregel brengt niet met zich dat correctie van de eerder vastgestelde verzekerde tijdvakken nooit mag plaatsvinden als de betrokkene te goeder trouw was en niet redelijkerwijs kon weten dat hij niet verzekerd was. Getoetst moet worden of in dit geval de correctie in strijd komt met, in het bijzonder, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Materieel is geen sprake van het met terugwerkende kracht herstellen van een gemaakte fout door de Svb ten nadele van de burger. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. Er is sprake van een aan de Svb toe te rekenen toezegging waaruit betrokkene redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Svb er bij de berekening van zijn AOW-pensioen van zou uitgaan dat hij van 13 oktober 1978 tot en met 22 december 1984 verzekerd was geweest. Het algemeen belang bij berekening van het AOW-pensioen van betrokkene volgens de wettelijke voorschriften, mede in verband met het noodzakelijke evenwicht tussen pensioenbetaling en premieafdracht, legt in dit geval meer gewicht in de schaal dan het belang van betrokkene bij nakoming van de toezegging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken