CRvB 31 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3448
De aanvraag van appellante van 19 mei 2017 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft de op 19 mei 2017 ontvangen aanvraag om een Wajong-uitkering – anders dan bij de aanvragen in 2011 en 2013 – in bezwaar beoordeeld aan de hand van de criteria van de AAW en de afwijzing van die aanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daarmee heeft het Uwv de aanvraag van 19 mei 2017 beoordeeld als ware het een eerste aanvraag. De Raad zal de afwijzing van de aanvraag daarom aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen als ware dit het eerste besluit op die aanvraag. In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden en argumenten afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat zij niet slagen. Uit de in beroep ingediende informatie uit de jaren 1988 tot 1996 komt geen wezenlijk ander beeld naar voren dan de verzekeringsartsen van het Uwv bij hun medische beoordelingen voor ogen hadden. Appellante heeft in hoger beroep geen (medische) stukken ingediend waaruit naar voren komt dat het Uwv haar belastbaarheid op het achttiende jaar heeft onderschat. Evenmin heeft appellante gronden naar voren gebracht die zien op het standpunt van het Uwv dat de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid in haar geval toepassing mist. Nu er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv is er geen aanleiding een deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl