CRvB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3149
De Raad stelt vast dat het college zich niet ter zitting heeft laten vertegenwoordigen. Daardoor is de vereiste verduidelijking niet verkregen. Op grond van artikel 8:31 van de Awb in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb zal de Raad uit het niet verschijnen van het college de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. In het onderhavige geval leidt dit tot het oordeel dat het ter zitting van de rechtbank ingenomen standpunt van het college zo dient te worden begrepen dat het college zich niet bevoegd heeft geacht tot het nemen van de primaire besluiten. Dit betekent dat de hoger beroepsgrond dat die besluiten herroepen dienen te worden, slaagt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen uitspraak in zijn geheel vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Raad de beroepen gegrond, vernietigt de bestreden besluiten 1 tot en met 4 en herroept de primaire besluiten. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in bezwaar, beroep en in hoger beroep. De Raad is van oordeel dat in bezwaar en in beroep sprake is van twee samenhangende Jeugdwetzaken en twee samenhangende Wmo-zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het verschillend wettelijk kader, enerzijds de Jeugdwet en anderzijds de Wmo 2015, heeft in deze fasen geleid tot werkzaamheden die niet nagenoeg identiek konden zijn. Voor de twee Jeugdwetzaken konden de werkzaamheden, net als voor de twee Wmo-zaken, wel nagenoeg identiek zijn en heeft ook nagenoeg gelijktijdige behandeling door het bestuursorgaan en de bestuursrechter plaatsgevonden. In hoger beroep wegingsfactor 1,5.
De uitspraak op rechtspraak.nl