CRvB 26 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3147

De Raad leidt uit genoemde feiten en omstandigheden af dat in het specifieke geval van appellant de termijn van zes weken om zijn registratie bij de gemeente te laten aanpassen, niet redelijk was. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden vanwege strijd met artikel 52, eerste lid, van de WAO. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. De overige gronden van appellant ter onderbouwing van de onrechtmatigheid van het bestreden besluit, behoeven gezien deze conclusie geen bespreking meer. Wel dienen de verzoeken om schadevergoeding te worden beoordeeld. Het verzoek tot betaling van wettelijke rente dient te worden toegewezen. Met de vergoeding van de wettelijke rente wordt geacht alle schade, ontstaan door de vertraging in de voldoening van een geldsom, te zijn voldaan. Het verzoek tot vergoeding van materiele schade zal reeds hierom worden afgewezen. Los daarvan wordt nog opgemerkt dat een oorzakelijk verband tussen het opschortingsbesluit en de gestelde schade ontbreekt. Gezien de feiten en omstandigheden kan appellant, zonder nadere medische onderbouwing, niet worden gevolgd in zijn stelling dat de genoemde feiten en omstandigheden en uiteindelijk de opname bij Emergis in december 2016 is veroorzaakt door het opschortingsbesluit. Het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade zal daarom worden afgewezen. Geen vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken