CRvB 10 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3119
De Raad stelt vast dat het besluit van 26 november 2016, waarbij het ouderdomspensioen van appellante is ingetrokken, in rechte vaststaat. Op grond van artikel 24 van de AOW was de Svb gehouden tot het terugvorderen van het ten onrechte betaalde ouderdomspensioen van appellante. Van een dringende reden om van de terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de AOW is niet gebleken. De Raad is van oordeel dat appellante geen ingezetene van Nederland is geweest en zij geen verzekerde jaren voor de AOW heeft opgebouwd. Appellante heeft daarom geen recht op een ouderdomspensioen. Dat dit wel aan haar is toegekend, is veroorzaakt door schending van de op appellante rustende inlichtingenverplichting. Omdat niet kan worden gezegd dat elke verwijtbaarheid ontbreekt, was de Svb in beginsel verplicht een boete op te leggen. De Raad is van oordeel dat de Svb in het bestreden besluit in voldoende mate rekening heeft gehouden met de situatie van appellante door van een lager benadelingsbedrag en verminderde verwijtbaarheid uit te gaan. Er is geen sprake van een korting op het ouderdomspensioen van [naam voormalig partner], maar van het ontstaan van andere rechten bij het bereiken van de AOW‑gerechtigde leeftijd van appellante. Ook is er een wijziging opgetreden door de verandering van de eerder opgegeven leefvorm. De besluitvorming hierover is in rechte komen vast te staan. Hoewel appellante heeft aangevoerd dat haar financiële situatie verder achteruit is gegaan, heeft zij niet onderbouwd gesteld op grond waarvan de Raad tot een ander oordeel zou moeten komen dan de rechtbank. Deze beroepsgrond van appellante slaagt daarom niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl