CRvB 4 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2683

Verzoek om terug te komen van het besluit van 25 februari 2003. Toetsingskader. Na het bestreden besluit bekend geworden stukken. De aanvraag van appellant van 22 maart 2016 is een herhaling van de aanvraag waarop het Uwv bij het oorspronkelijke – in rechte vast staande – besluit van 25 februari 2003 heeft beslist. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Wat appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. In situaties als de onderhavige, waarin afwisselend wel en niet via een uitzendbureau wordt gewerkt en waarin door betrokkene regelmatig is gewerkt, kan er in beginsel van worden uitgegaan dat het niet werkzaam zijn voortvloeit uit de persoonlijke voorkeur van betrokkene, zulks behoudens sterke aanwijzingen van het tegendeel (zie de uitspraak van de Raad van 11 mei 1999, ECLI:NL:CRVB:ZB8379). Appellant is er op basis van de door hem ingediende medische stukken niet in geslaagd dit tegendeel aannemelijk te maken. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken