CRvB 28 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2651

De aanvraag om Wlz-zorg voor betrokkene is schriftelijk ingediend conform artikel 3.2.1, eerste lid, van het Blz. Uit het aanvraagformulier volgt dat de benodigde gegevens zijn ingevuld door een medewerker van [naam verpleeghuis] . Op het aanvraagformulier is verder vermeld dat de daarop geplaatste handtekening van betrokkene is. In wat appellanten daarover hebben aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de authenticiteit van die handtekening of om aan te nemen dat deze onder dwang is gezet. De door appellanten overgelegde stukken met daarop verschillende handtekeningen van betrokkene zijn onvoldoende om hun stellingen te onderbouwen. Daarbij komt dat de gemachtigde van appellanten ter zitting heeft verklaard dat het ook mogelijk is dat betrokkene wel zijn handtekening onder de aanvraag heeft gezet. De stelling dat hierbij sprake zou zijn geweest van dwang hebben appellanten in het geheel niet onderbouwd. Het voorgaande betekent dat CIZ bevoegd was om het indicatiebesluit af te geven. De hoger beroepsgrond slaagt niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen