CRvB 25 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2449

Na tussenuitspraak. Het Uwv heeft onderzoek verricht. Daaruit is gebleken dat appellant een PGB ontvangt dat is bedoeld voor persoonlijke verzorging en verpleging. Verder is uit het onderzoek gebleken, uit informatie van de behandelend sector en uit de bevindingen van de verzekeringsartsen tijdens het spreekuur en de hoorzitting, dat er per 17 maart 2017 geen medische noodzaak was om betrokkene min of meer constant onder toezicht te houden. De keuze van betrokkene om met een, naar hij zelf stelt ontoereikend PGB budget genoegen te nemen, kan niet worden afgewenteld op de Wet WIA. Anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat deze overtuigende motivering moet worden gevolgd. Het Uwv heeft deugdelijk gemotiveerd dat appellant een op zijn situatie van hulpbehoevendheid gericht PGB ontving (zie ook de uitspraak van de Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:396). Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen dat het Uwv voldoende heeft onderbouwd dat wat betreft de behoefte van oppassing en verzorging niet voldaan is aan de criteria voor verhoging tot 100% maar wel aan de criteria voor verhoging tot 85%, worden geheel onderschreven. Het hoger beroep van het Uwv slaagt en het incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken