CRvB 1 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2346
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de functionele mogelijkheden van appellante zoals beschreven in de FML van 21 juni 2018. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4686) is het aan de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om een vertaalslag te maken van de klachten van de betrokkene naar de op te nemen beperkingen in de FML. Als de betrokkene van mening is dat hij verdergaand beperkt is dan de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) in de FML heeft aangenomen, dient hij de deugdelijkheid van de daaraan ten grondslag gelegde medische onderbouwing te weerleggen. Uit de onderzoeken die wel verricht konden worden kwamen geen aanwijzingen naar voren voor volledige disfunctionaliteit van appellantes rechterarm. Voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bestaan dan ook geen aanknopingspunten. Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de aangepaste FML van 21 juni 2018, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat appellante ten gevolge van haar psychische en lichamelijke klachten niet geschikt is voor de werkzaamheden in de voor haar geselecteerde functies. Dat de geselecteerde functies passend zijn, is voldoende deugdelijk gemotiveerd in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 27 juni 2018. Het Uwv heeft de urenomvang van die functies terecht bepalend geacht en er is terecht geen reductiefactor toegepast. Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven. Appellante heeft niets aangevoerd om twijfel te zaaien aan de in het CBBS opgenomen feitelijke gegevens. Er is geen aanleiding over te gaan tot inschakeling van een deskundige.
De uitspraak op rechtspraak.nl