CRvB 8 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2294
Regeling uitkering chroom-6 Defensie, onderzoek RIVM, hardheidsclausule. De aanvraag van appellant is afgewezen op de grond dat geen sprake is van een aandoening die voorkomt op de lijst van bijlage 2 van de Regeling. De omstandigheid dat aan appellant op grond van de Coulanceregeling wel een tegemoetkoming is toegekend brengt niet met zich dat hij ook in aanmerking komt voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling. Het gaat immers om een andere regeling, waarbij van belang is dat bijlage 2 van de Regeling die hier aan de orde is, tot stand is gekomen naar aanleiding van een diepgaander onderzoek van het RIVM naar de causaliteit. De conclusie van het (geactualiseerde) rapport van het RIVM is dat het nog onvoldoende duidelijk is of chroom-6 andere irreversibele ziekten door een verstoord immuunsysteem kan veroorzaken (anders dan allergisch contacteczeem, allergische astma, allergische rhinitis en chronische longziekten). In wat appellant naar voren heeft gebracht ziet de Raad geen grond voor de conclusie dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid heeft mogen baseren op het (geactualiseerde) onderzoek van het RIVM. De omstandigheid dat er (vooralsnog) onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing aanwezig is, kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als een omstandigheid waarin de staatssecretaris aanleiding had behoren te vinden om de hardheidsclausule toe te passen.