CRvB 24 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2287
Het Uwv heeft op het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 16 mei 2014, zoals dat is gehandhaafd bij besluit van 10 september 2014, beslist met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd. De desbetreffende overwegingen van de rechtbank worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en navolgbaar heeft toegelicht dat in 2014 ook gesproken had kunnen worden van NAH, maar dit niets toevoegt aan wat in 2014 al was beschreven. Daarom is de enkele omstandigheid dat nu gesproken wordt over NAH volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet als nieuw feit aan te merken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder onderschreven dat de geheugenklachten van appellante merkbaar zijn toegenomen. Hij heeft er echter ook op gewezen dat deze toename van klachten na 2014 is opgetreden. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor twijfel aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In wat appellante heeft aangevoerd is daarnaast geen grond gelegen om te oordelen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Hoger beroep slaagt niet.
De uitspraak op rechtspraak.nl