CRvB 11 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2208
Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat bij hem sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Van een acute financiële noodsituatie, die door het treffen van de gevraagde voorziening zou kunnen worden opgeheven, is niet gebleken. Door het tijdsverloop is het ook niet meer mogelijk dat de door verzoeker gewenste re-integratieactiviteiten in het kader van de ZW worden opgestart. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter uitspraak kan doen zonder zitting.
De uitspraak op rechtspraak.nl