CRvB 29 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:205
Intrekking WAZO-uitkering en ZW-uitkering en terugvordering onverschuldigd betaalde uitkeringen op de grond dat appellante niet werkzaam is geweest voor [werkgever] en daarom niet als werknemer verzekerd is geweest voor de ZW en de WAZO. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op basis van de gegevens uit het onderzoeksrapport voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellante geen werkzaamheden heeft verricht voor [werkgever]. Appellante heeft onder verwijzing naar het sepot van 6 maart 2018 in haar strafzaak betoogd dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak in strijd zijn met de onschuldpresumptie, zoals gewaarborgd bij artikel 6, tweede lid, van het EVRM. Het sepot wegens gebrek aan bewijs betekent dat de OvJ ten aanzien van appellante geen bewijs aanwezig acht dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrifte wat betreft de op de tenlastelegging vermelde stukken. Uit het sepot is niet op te maken wat de redenen voor de OvJ zijn geweest om in het geval van appellante over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. In de bestuursrechtelijke procedure worden minder strenge eisen aan het bewijs gesteld dan in de strafrechtelijke procedure. Het bestreden besluit roept geen twijfel op over de juistheid van de gronden van het sepot.
De uitspraak op rechtspraak.nl