CRvB 27 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2028

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Appellant betoogt dat de onderzoekers van Hoffmann hem de cautie hadden moeten geven, omdat bleek dat hij verdacht werd van strafbare feiten. Dit betoog slaagt niet. Vaste rechtspraak met betrekking tot het opleggen van een disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim. De Raad volgt appellant evenmin in zijn betoog dat de regels onduidelijk waren, dat er geen documenten zijn waaruit blijkt dat het meenemen van goederen na juni 2015 verboden was en dat het meenemen van goederen voor eigen gebruik werd gedoogd. Voorts heeft de Raad op basis van het dossier de overtuiging verkregen dat appellant zich, naast de door de rechtbank als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen a en b, zoals vermeld onder 1.6, evenzeer heeft schuldig gemaakt aan gedraging c, doordat hij over gedragingen a en b niet (direct) de waarheid heeft gesproken en wisselende verklaringen heeft afgelegd. Deze gedraging heeft het college tevens terecht gekwalificeerd als plichtsverzuim. Niet gebleken is dat dit plichtsverzuim niet aan appellant kan worden toegerekend, zodat het college bevoegd was hem daarvoor disciplinair te straffen. De Raad is van oordeel dat voornoemde gedragingen, gezien de ernst en aard daarvan, de straf van onvoorwaardelijk ontslag kunnen dragen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken