CRvB 20 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1955
Met de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de referteperiode van 1 juli 2013 tot 1 juli 2016 ononderbroken werkzaamheden heeft uitgevoerd die afwijken van zowel zijn voormalige korpsfunctie van [functie 2], schaal 7, als van de hem toegekende LFNP-functie van [functie 1] en die in overwegende mate voldoen aan de niveaubepalende elementen als omschreven in het onderdeel ‘kern van de functie’ van de functie [functie 5]. De door betrokkene overgelegde verklaring van 14 september 2019 van X vormt nog geen onderbouwing voor de stelling dat betrokkene gedurende de gehele hier aan de orde zijnde referteperiode in overwegende mate de niveaubepalende elementen van de beoogde LFNP-functie heeft verricht. Ook de overige gedingstukken vormen geen onderbouwing voor de stelling dat betrokkene gedurende de gehele hier aan de orde zijnde referteperiode in overwegende mate de niveaubepalende elementen van de beoogde LFNP-functie heeft verricht. Dat de functie van [functie 3], volgens de transponeringstabel, behorende bij de Regeling vaststelling LFNP, per 1 januari 2012 is overgegaan naar de LFNP-functie van [functie 5], leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Verder volgt uit die beoordelingen, anders dan betrokkene betoogt, evenmin dat betrokkene gedurende de gehele hier aan de orde zijnde referteperiode in overwegende mate heeft voldaan aan de niveaubepalende elementen behorende tot de kern van de beoogde LFNP-functie. Het door betrokkene gedane beroep op de (toelichting bij de) Regeling aanvraag plaatsing op een andere dan de ambtenaar opgedragen functie (RAAF), Stcrt. 2016, 38696, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is van een aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule buiten de Notitie en de Aanvulling om. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het incidenteel hoger beroep van de korpschef slaagt en dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak moeten worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. De redelijke termijn is dus met bijna een maand overschreden in de bestuurlijke fase. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. De korpschef zal worden veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
De uitspraak op rechtspraak.nl