CRvB 19 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1923
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant tijdens zijn detentie geen recht had op ouderdomspensioen en dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat het ouderdomspensioen van appellant herleefde bij het einde van zijn detentie. Appellant is het er niet mee eens dat hij vanaf 1 augustus 2017 voortvluchtig werd geacht en dat daarom zijn ouderdomspensioen met ingang van die datum is beëindigd. Zijn gronden richten zich dus niet tegen het bestreden besluit, maar tegen het besluit van 1 augustus 2017. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl