CRvB 10 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1843
Namens appellant is betoogd dat niet alle gelden waarover hij de beschikking heeft gehad dan wel heeft kunnen hebben zijn aan te merken als inkomsten waarop de meldingsplicht van artikel 134a van de Appa rust. Dit betoog slaagt niet. Door appellant is niet betwist dat hij een inlichtingenplicht heeft. In de onder 1.5 genoemde uitspraak is geoordeeld dat appellant terecht gehouden is aan de inlichtingenverplichting om te kunnen vaststellen of hij teveel of ten onrechte wachtgeld heeft genoten. Het college heeft de neveninkomsten van appellant schattenderwijs mogen vaststellen. Het niet melden van de neveninkomsten gedurende de perioden 22 mei 2007 tot 6 april 2010 en van 3 juli 2013 tot 2 december 2014 brengt mee dat het college bevoegd was over die perioden de kennelijk onverschuldigd betaalde bedragen aan Appa-uitkering van appellant terug te vorderen. Het teruggevorderde bedrag wordt hoofdzakelijk gevormd door de gelden die appellant van de SDH-rekening, een rekening voor campagnegelden van een politieke partij, heeft opgenomen en heeft aangewend voor privédoeleinden. Die opname en privé-aanwending zijn door appellant niet betwist. Deze gelden zijn dus met juistheid in de schatting betrokken. Verder ziet de terugvordering op bedragen die zijn bijgeschreven op de Raborekening van appellant, eindigend op [nummer X] , en betrekking hebben op de verkoop van kunst, gemaakt door de voormalige partner van appellant. Uit de beschikbare gegevens van het OM komt naar voren dat de aankopen gelden als tegenprestatie voor werkzaamheden die appellant heeft verricht voor de [instantie]. De aankopen mochten dan ook worden gezien als (een verkapte) vergoeding van werkzaamheden die door appellant zijn verricht en maken om die reden niet ten onrechte deel uit van de terugvordering. Verder is van appellant teruggevorderd een bedrag aan contante stortingen die zijn gedaan op de Raborekening eindigend op [nummer Y] . Uit de rapportage van het OM komt geen directe betrokkenheid van appellant bij deze gelden naar voren. Anders dan het college ziet de Raad in de beschikbare gegevens onvoldoende aanleiding om deze bedragen in de schatting te betrekken. Dit betekent dat het college € 92.308,36 ten onrechte als verrekenbare inkomsten heeft aangemerkt en dat dit bedrag op de terugvordering in mindering moet worden gebracht. Het college heeft met toepassing van artikel 136, derde lid, van de Appa de aan appellant toekomende uitkering ingaande 10 april 2018 blijvend voor 50% vervallen verklaard. Het college stelt tot deze maatregel te zijn overgegaan wegens de grove en doorgaande schending van de inlichtingenplicht door appellant. Het college heeft echter ten onrechte de maatregel opgelegd van het voor 50% vervallen verklaren van de uitkering per 10 april 2018. Het beroep van appellant moet gegrond worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij de onder 2.3.3 genoemde bedragen van de Raborekening eindigend op [nummer Y] als neveninkomsten van appellant zijn teruggevorderd en voor zover de uitkering van appellant met ingang van 10 april 2018 voor 50% vervallen is verklaard. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 20 augustus 2019 in zoverre te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl