CRvB 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1776
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant geregelde handreikingen van derden nodig heeft (geregelde oppassing) als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel. Wel is in geschil of appellant hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen (geregelde verzorging). De Raad kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van geregelde verzorging en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Appellant heeft in hoger beroep herhaald wat in bezwaar en beroep is aangevoerd en geen objectieve medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel moet leiden. Dat aanwijzingen voor zelfverzorging moeten worden aangemerkt als een vorm van oppassing, en dus niet als verzorging zoals appellant heeft bepleit, is reeds geoordeeld in de uitspraak van de Raad van 1 oktober 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AF2588. Appellant voert aan dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen enerzijds degene die, zoals hij, enkel aanwijzingen nodig heeft en anderzijds degene die wel (ook) fysieke zorg nodig heeft. Voor zover in het geval van appellant al sprake zou zijn van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de regeling van redelijke grond is ontbloot. Dat dit van redelijke grond is ontbloot, heeft appellant op geen enkele wijze onderbouwd. Een dergelijke onderbouwing kon temeer van appellant worden gevergd nu hij, naast zijn Wajong-uitkering, voor zijn begeleiding en verzorging voor zeven etmalen per week een pgb ontvangt. Het beroep op discriminatie kan dan ook niet slagen.
De uitspraak op rechtspraak.nl