CRvB 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1772

Buiten kijf staat dat betrokkene door de verhoging van de AOW-leeftijd en de latere ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen financieel nadeel heeft ondervonden. Er is echter niet gebleken dat de situatie waarin hij in de hier te beoordelen periode tussen 29 juni 2016 en 3 augustus 2016 verkeerde, dermate schrijnend was dat in zijn geval sprake was van een onevenredig zware last. Hiervoor is in dit geval onvoldoende dat betrokkene geld van vrienden heeft moeten lenen en in het verleden geen geld heeft kunnen sparen om het AOW-gat op te vangen. Terecht heeft de Svb bij de toetsing of sprake is van een onevenredig zware last in aanmerking genomen dat de financiële draagkracht van betrokkene en zijn echtgenote in de periode van het AOW-gat boven de bijstandsnorm voor een echtpaar uitkwam. Evenals de Svb is de Raad van mening dat het binnen de systematiek van de AOW past om bij deze toetsing uit te gaan van het gezinsinkomen gerelateerd aan het bestaansminimum. De hoogte van het ouderdomspensioen is immers afhankelijk van de leefvorm en is erop gericht dat twee gehuwde pensioengerechtigden met een volledige verzekeringsloopbaan samen het sociaal minimum voor gehuwden ontvangen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 1 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1229). In het geval van betrokkene lag het gezinsinkomen in de periode van het AOW-gat, zoals gezegd, iets boven het sociaal minimum. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan niettemin zou moeten worden aangenomen dat op betrokkene een onevenredig zware last is komen te liggen, is niet gebleken. De Svb heeft daarom terecht zonder verdere compensatie per 3 augustus 2016 een ouderdomspensioen aan betrokkene toegekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken