CRvB 6 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1766

De Raad volgt niet de interpretatie die appellant aan artikel 7a van de AOW geeft. In het jaar 2016 is de pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar en zes maanden. Deze leeftijd bereikt appellant in 2016, namelijk op [datum in] 2016. Hij heeft dus vanaf die datum recht op ouderdomspensioen. Deze wetsuitleg, die ook de Svb hanteert, komt overeen met de bedoeling van de wetgever, zoals die ook in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7a van de AOW tot uitdrukking is gebracht. Wel is het zo dat appellant door de invoering van artikel 7a van de AOW pas met 65 jaar en zes maanden zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt en dus zes maanden later dan voor de wetswijziging het geval zou zijn geweest van zijn ouderdomspensioen kan genieten. De door de wetswijziging veroorzaakte latere ingangsdatum van het ouderdomspensioen met zes maanden vormt dus een inmenging in het recht van appellant op het ongestoorde genot van zijn eigendom als bedoeld in de eerste zin van artikel 1 van het Eerste Protocol. De Raad heeft in de uitspraken van 18 juli 2016 gemotiveerd waarom de inmenging in het eigendomsrecht in het algemeen proportioneel en gerechtvaardigd is te achten. Wat appellant heeft aangevoerd tegen het gebruik van de term algemeen belang in deze uitspraak, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Geen sprake van een onevenredig zware last. Wat er verder ook zij van de klacht die appellant heeft met betrekking tot de behandeling ter zitting van zijn zaak bij de rechtbank, maakt deze klacht niet dat de procedure bij de rechter niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM te stellen eisen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken