CRvB 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1654
1) Alsnog postuum ouderdomspensioen toegekend aan overleden echtgenoot van 46% van het maximale pensioen en een toeslag van 6% van de maximale toeslag. Ten onrechte geen huwelijkse tijdvakken in de toeslag gehonoreerd. De huwelijkse tijdvakken op grond van artikel 21 van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34, hierna: NMV (oud)) en het op 1 november 2004 in werking getreden wijzigingsverdrag van 30 september 1996 (Trb. 1996, 298, Trb. 2004, 274) vallen alleen toe aan de eerste echtgenote. Andere vrouwen, zoals appellante die tweede echtgenote is, kunnen slechts aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken voor zover die niet samenvallen met de huwelijkse tijdvakken van de eerste echtgenote. Voor de overleden echtgenoot zijn echter nog in het geheel geen huwelijkse tijdvakken gehonoreerd. Verder strookt het meenemen van de huwelijkse tijdvakken van appellante in de toeslag van haar overleden echtgenoot volledig met wat de verdragsluitende partijen onder artikel 21 NMV (oud) hebben beoogd. De Raad voorziet zelf door de toeslag vast te stellen op 24%. 2) Appellante heeft op grond van het bepaalde in het NMV geen zelfstandige aanspraak op een Nederlands ouderdomspensioen. Appellante was niet de eerste echtgenote van haar overleden echtgenoot. Zij heeft zich niet vrijwillig verzekerd en behoorde ook niet tot de kring van personen die zich vrijwillig had kunnen verzekeren.
De uitspraak op rechtspraak.nl