CRvB 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1653

Verordening maatschappelijke ondersteuning Amsterdam 2015. Het betoog dat iemand die feitelijk niet in staat blijkt onderdak te organiseren altijd in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening bestaande uit opvang, slaagt niet. Vaste rechtspraak. De beroepsgrond dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht, slaagt niet. Het standpunt dat appellante niet in staat is zich te handhaven in de samenleving wordt niet gevolgd. Appellante moet in staat worden geacht zelf in onderdak voor haar en haar gezin te kunnen voorzien. Appellante heeft immers rechtmatig verblijf en heeft een uitkering op grond van de Participatiewet waarmee zij geacht wordt te kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Daar komt bij dat appellante tijdens het gesprek met de GGD heeft verklaard dat zij goed zelfstandig kan wonen. Dat zij stelt niet te beschikken over een netwerk en door cognitieve beperkingen niet in staat is digitaal te zoeken naar woningen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het integraal trajectplan volgt namelijk dat appellante met hulp van haar begeleider iedere week op verschillende woningen reageert. Dit heeft de gemachtigde van appellante ook tijdens de zitting van de Raad bevestigd. De Wmo 2015 is, anders dan appellante ter zitting heeft betoogd, niet bedoeld om voor het niet kunnen vinden van een woning een oplossing te bieden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken