CRvB 9 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1442

Herinrichting Belastingdienst. Appellante heeft kenbaar gemaakt vrijwillig te willen uitstromen onder toekenning van een stimuleringspremie, variant B. De afspraken hierover zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst (VSO), die appellante en de directeur [X] van de Belastingdienst hebben getekend op 30 september 2016. Procesbelang gelegen in voornemen schade te vorderen als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. De Raad is van oordeel dat onaannemelijk is dat appellante schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat appellante enig belang heeft bij een oordeel van de Raad over de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank. Dit betekent dat de Raad geen oordeel zal geven over de beroepsgronden die hierop betrekking hebben. Het hoger beroep is in zoverre niet‑ontvankelijk. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen tot vergoeding van het door haar betaalde griffierecht tot een bedrag van € 170,-. Deze beroepsgrond slaagt. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat de staatssecretaris het bedrag van € 124,- aan appellante moet betalen. Aanleiding bestaat om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken