CRvB 21 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:947
Anders dan appellante is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat de minister het bezwaar tegen het ontslag per 1 juli 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep voor zover gericht tegen de salarisspecificatie van augustus 2015 kan niet slagen, nu de enige grond van appellante is dat geen sprake was van ontslag op eigen verzoek en aan een inhoudelijke beoordeling van het ontslag niet wordt toegekomen. De minister heeft de VWNW-vergoeding conform het bepaalde in artikel 49gg, zesde lid, van het ARAR vastgesteld en heeft appellante vanaf het begin hierover consistent geïnformeerd, ook nadat appellante afwijkende informatie van KFR had ontvangen. Geen beroep op het vertrouwensbeginsel. Geen onjuiste toepassing van artikel 49ss, eerste lid, van het ARAR bij het toekennen van een aanvullende bijdrage pensioenopbouw. Het betreft een discretionaire bevoegdheid, zodat er voor de minister geen verplichting tot het vergoeden van de werkelijke pensioenschade bestaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl