CRvB 21 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2867

De beroepsgrond dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de door haar genoemde rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3679) geen sprake is. Dat de ratio van de uitsluitingsgrond is dat iemand die verblijf houdt in het buitenland in het algemeen niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten in Nederland en dat appellante tijdens haar verblijf in Gambia wel beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt en het verrichten van sollicitatieactiviteiten maakt, wat daarvan ook zij, niet dat toepassing van deze dwingendrechtelijke bepaling uit de WW geen rechtsplicht meer kan zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij in Gambia nuttig vrijwilligerswerk heeft verricht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken