CRvB 29 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2857
AOW-pensioen terecht vastgesteld op 44% van het maximale pensioen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in meer periodes als verzekerde op grond van de AOW moet worden aangemerkt dan de Svb heeft aangenomen. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Benadrukt wordt dat appellant met de door hem opgestelde uiteenzetting van werk- en woontijdvakken, hoe gedetailleerd dan ook, niet op een objectiveerbare, controleerbare wijze heeft onderbouwd dat hij in meer periodes als verzekerde moet worden aangemerkt.
De uitspraak op rechtspraak.nl