CRvB 18 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2360
Het college heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant tijdens reguliere arbeidsuren aanwezig was op een bestaande werkplek. Daarvoor is van betekenis dat uit zes van de negen fysieke waarnemingen blijkt dat appellant ’s ochtends vroeg vanaf het andere adres met een koelbox in de hand, bij een bestelauto, waarop de naam van het bedrijf stond vermeld, instapte dan wel dat appellant met diezelfde bestelauto aan het einde van de middag werd teruggebracht op dat andere adres. Daarbij is vijfmaal waargenomen dat appellant werkkleding droeg. Uit deze feiten en de omstandigheid dat appellant tot en met 25 mei 2016 een werkervaringsplaats had bij het bedrijf volgt dat moet worden aangenomen dat appellant op het moment dat hij in de bestelauto stapte, op een bestaande werkplek aanwezig was. De enkele stelling van appellant dat hij na beëindiging van de werkervaringsplaats nog slechts eenmaal naar de werkplek is gegaan, en wel om bedrijfseigendommen af te geven, is onvoldoende om wat door het college is waargenomen voor onjuist te houden. Die stelling vindt geen steun in de waarnemingen. Hieruit volgt dat de veronderstelling gerechtvaardigd is dat appellant vanaf 28 juni 2016 op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Het is dan aan appellant om het tegendeel aannemelijk te maken. De enkele ontkenning van appellant dat hij toen geen werkzaamheden heeft verricht, is daartoe niet toereikend.
De uitspraak op rechtspraak.nl