CRvB 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2313

Herziening en terugvordering in verband met inkomsten uit muziekoptredens. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem ontvangen bedragen uit muziekoptredens vallen onder artikel 31, tweede lid, onder g, van de PW, zodat deze niet van het middelenbegrip zijn uitgezonderd. De gestelde omstandigheid dat appellant onder de regeling voor artiesten en beroepssporters valt, hoeft niet te betekenen dat de inhoudingsplichtige (de werkgever van appellant) de bedragen die appellant heeft ontvangen voor de optredens als eindheffingsbestanddeel heeft aangemerkt als bedoeld in artikel 31, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet LB 1964. Voorts kan uit het enkele feit dat blijkens de betaalspecificaties op de inkomsten van appellant geen loonbelasting is ingehouden, niet automatisch worden afgeleid dat sprake is van een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onder f, van de Wet LB 1964. Voor het niet inhouden van loonbelasting kunnen immers andere redenen zijn. Nu de reden voor het niet inhouden van de loonbelasting niet blijkt uit de salarisspecificatie en appellant dit ook niet anderszins heeft onderbouwd, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkgever de ontvangen bedragen heeft aangewezen als eindbestanddeel in de zin van de genoemde bepaling. De beroepsgrond van appellant dat de bedragen die appellant heeft ontvangen niet op de bijstand in mindering mogen worden gebracht, slaagt daarom niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen