CRvB 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2130
Met de schriftelijke toelichting en wat ter zitting is verklaard heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Raad niet aangetoond in hoeverre appellant over de in 4.2 genoemde periode daadwerkelijk minder uren heeft gewerkt dan op grond van de voor hem geldende werktijdenregeling en/of aanstelling was voorgeschreven. Hieruit volgt ook dat niet is aangetoond in hoeverre appellant op de door de staatssecretaris gestelde data en plaatsen ten onrechte maaltijden heeft gedeclareerd. Het bestreden besluit ontbeert toereikende grondslag. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Niet aannemelijk dat de staatssecretaris in de toekomst de gestelde vorderingen adequaat zal onderbouwen. Het besluit van 24 november 2015 zal in zoverre worden herroepen. Hiermee komen de vorderingen van de staatssecretaris op appellant te vervallen. Een berekening van de verlofaanspraak dient nog gemaakt te worden met inachtneming van artikel 23, tweede en zevende lid, in verbinding met artikel 24, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het ontslag. Van dit te nemen besluit kan slechts bij de Raad beroep worden ingesteld. Proceskostenveroordeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl