CRvB 6 juni 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2005

De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat op 2 juni 2016 sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding en dat voortzetting van het dienstverband van appellant in redelijkheid niet van de korpschef kan worden verlangd. De Raad kan zich vinden in de uitvoerige overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en maakt die tot de zijne. Dat appellant gedurende flinke perioden van zijn loopbaan zijn werkzaamheden naar behoren heeft verricht, doet niet af aan de vaststelling dat hij ook langere tijd gedrag heeft vertoond dat voor de korpschef - nadat deze met dat gedrag bekend is geworden - grondslag kon zijn voor het standpunt dat er een totaal gebrek aan vertrouwen in appellant is. De Raad wijst hier op de aard en ernst van het gedrag van appellant. Met het toekennen van een bovenwettelijke uitkering aan appellant is sprake van een passende regeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen