CRvB 10 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:191
Met het college is de Raad van oordeel dat uit de verklaringen, noch uit de e-mailberichten, blijkt dat op de peildatum de werkzaamheden een zodanig substantieel en structureel onderdeel van het takenpakket van appellant uitmaakten, dat inpassing van appellant in de functie van medewerker vergunningverlening C onhoudbaar is. Het college heeft, ook in het licht van wat is overwogen, voldoende gemotiveerd waarom appellant niet is geplaatst in de door hem gewenste functie van medewerker vergunningverlening D.
De uitspraak op rechtspraak.nl