CRvB 18 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1444

Afwijzing verzoek voor wat betreft de duur van de dienverplichting, en voor wat betreft de ingangsdatum van de bevordering tot tweede luitenant. Gezien de ratio van de dienverplichting acht de Raad het besluit van de staatssecretaris om de op appellant rustende dienverplichting niet te bekorten niet onredelijk. Daarbij is van belang dat de staatssecretaris appellant tijdens zijn opleiding erop gewezen heeft dat de opleiding langdurige vertraging zou oplopen en hem toen verschillende opties heeft geboden. De stelling van appellant dat hij vervroegd, namelijk per 11 januari 2012, had moeten worden bevorderd tot tweede luitenant in plaats van per 9 april 2015 volgt de Raad niet. Een juiste toepassing van artikel 24k, vierde lid, van het AMAR brengt mee dat de militair de bevordering, die onlosmakelijk is verbonden aan de toewijzing van een functie met hogere rang, met ingang van de datum van die functietoewijzing de hogere rang toegekend krijgt. Dat is in dit geval de datum van plaatsing op de eerste functie van vlieger, na voltooiing van de opleiding. Dat appellant in de tussenliggende tijd tijdelijke werkzaamheden als vlieger heeft verricht is hierbij niet van betekenis, omdat hij toen nog aspirant en geen gecertificeerd vlieger was.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken