CRvB 20 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4304

Het oordeel van de rechtbank, alsmede de overwegingen, die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden onderschreven. Door de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen heeft appellante ingestemd met het einde van haar dienstbetrekking en haar recht op loon prijsgegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico – appellante was naar eigen opgave immers al vanaf 8 september 2014 ziek – al was ingetreden. Geen deugdelijke grond. Geen civiele procedure aangespannen, wel de nietigheid ingeroepen. Benadelingshandeling, gekwalificeerd als schenden van een verplichting van de vierde categorie als bedoeld in artikel 7a van het Maatregelenbesluit. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen gronden bestaan om aan te nemen dat er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid welke reden vormt om ten gunste van appellante af te wijken van de hoogte van de opgelegde maatregel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken