CRvB 11 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3176
Waarnemingstoelage ten onrechte geweigerd. Vanaf april 2013 was sprake van het tijdelijk verrichten van een samenstel van werkzaamheden dat een andere, hoger gewaardeerde, functie vormde dan die van de formele functie van appellanten. Dit samenstel van werkzaamheden, dat door het bevoegd gezag is opgedragen, betrof hier de werkzaamheden van [functie 5], salarisschaal 10. Dit betekent dat sprake was van waarneming in de zin van artikel 17 van het Bbp. De korpschef heeft de toekenning van de waarnemingstoelage over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 dan ook in redelijkheid niet kunnen weigeren. De Raad voorziet zelf in de zaak en kent appellanten over de periode van 1 april 2013 tot 1 juli 2016 alsnog, conform artikel 17, derde lid, van het Bbp, een volledige waarnemingstoelage toekennen ter grootte van het verschil tussen salarisschaal 9 en 10 wegens het volledig waarnemen van de functie van [functie 5].
De uitspraak op rechtspraak.nl