CRvB 13 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1729

Vaststaat dat betrokkene vanaf 1 september 2014 werkzaam is geweest bij [naam bedrijf]. Anders dan betrokkene heeft gesteld kunnen deze werkzaamheden niet worden aangemerkt als vriendendienst of vrijwilligerswerk, omdat zij zijn verricht in het economisch verkeer en het verkrijgen van geldelijk voordeel ermee is beoogd, dan wel volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kon worden verwacht. Door hiervan geen melding te maken aan appellant heeft betrokkene de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW geschonden. Appellant is er met juistheid van uitgegaan dat betrokkene gedurende 32 uur per week werkzaam is geweest bij [naam bedrijf]. Reistijd 4 uur per week. Appellant had WW moeten herzien voor 32 uur per week, zodat een WW-recht resteerde van vier uur per week. De door de rechtbank genoemde omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van dringende redenen in voormelde zin. Betrokkene kan ter zake van de schending van zijn inlichtingenplicht een verwijt worden gemaakt. In aanmerking nemend de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden, is een boete van 10% van het benadelingsbedrag in dit geval passend en geboden. Een boete van 25% van het benadelingsbedrag, naast het terugbetalen van vrijwel de gehele WW-uitkering over de periode van 1 september 2014 tot en met 30 januari 2015, is in deze omstandigheden een onevenredige sanctie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken