CRvB 15 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1552

Nabetaling. Wajong. Inlichtingenverplichting. Terugvordering. Toeslag. Kosten delen. Vaststaat dat S in de periode van 22 juni 2013 tot 5 november 2014 een inkomen heeft ontvangen dat onder het in artikel 3.18 van de Wsf 2000 genoemde normbedrag is gebleven. In november 2014 heeft het Uwv een bedrag van € 17.332,64 aan Wajong-uitkering nabetaald, welke nabetaling deels ziet op deze periode. Anders dan het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, betekent de onder 4.5 genoemde nabetaling niet dat appellante in de periode van 22 juni 2013 tot 5 november 2014 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellante is eerst met de brief van 5 november 2014 bekend geraakt met het gegeven dat S met terugwerkende kracht over die periode een hogere Wajong-uitkering is toegekend en dat dit heeft geleid tot een nabetaling aan S. Dit betekent dat het college over de periode van 22 juni 2013 tot 5 november 2014 ten onrechte de bijstand van appellante heeft herzien op de grond dat appellante in die periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat de Wajong-uitkering van S is verhoogd. Ook anderszins bestond geen grond voor herziening van de bijstand van appellante, nu S in deze periode een inkomen onder het hiervoor bedoelde normbedrag ontving, zodat appellante in deze periode de kosten niet met S kon delen en terecht een toeslag van 20% ontving.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken