CRvB 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1524
Aangevallen uitspraak 1: Zorgkantoor heeft voor de jaren 2011 en 2012 in eerste instantie een pgb verleend overeenkomstig artikel 2.6.6, derde lid, van de Rsa. Bij verleningsbeschikkingen van 3 oktober 2014 voor deze beide jaren heeft Zorgkantoor pgb's verleend gelijk aan wat appellante zelf verantwoord heeft als betaling voor daadwerkelijk aan haar verleende zorg. Meer zorg is niet aannemelijk gemaakt. Voor de jaren 2013 en 2014 is conform de bepalingen van Rsa een pgb verleend dat gelijk is aan, respectievelijk hoger is dan het bedrag dat appellante verantwoord heeft als betaling voor daadwerkelijk aan haar verleende zorg. Dat een hoger pgb verleend had gemoeten is niet aannemelijk gemaakt. Aangevallen uitspraak 2: buitenwettelijke beslissing en beroep tegen het besluit van 2 september 2015 meegenomen in beoordeling. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop het oordeel van de rechtbank berust dat appellante niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Belangenafweging evenredig. Door appellante geen stukken overgelegd waaruit betaling aan andere zorgverleners dan dochter blijkt. Aangevallen uitspraak 3: bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2015 zal ook worden beoordeeld. Ook in 2014 is niet voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen. Ter zitting van de Raad heeft het Zorgkantoor de door hem gemaakte belangenafweging nader toegelicht. De uiteindelijke vaststelling berust naar het oordeel van de Raad niet op een onredelijke belangenafweging. De Raad voorziet zelf.
De uitspraak op rechtspraak.nl