CRvB 16 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1165

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Kortsluiting. Voorwaardelijk ontslag ten onrechte ten uitvoer gelegd. De voorzieningenrechter volgt betrokkene in haar standpunt dat gedragingen (zich niet houden aan de voor haar geldende werktijden en privégebruik van de ten behoeve van woon-werkverkeer verstrekte mobiliteitskaart) van vóór het voorwaardelijk ontslag niet kunnen leiden tot tenuitvoerlegging daarvan. Conclusie is dat de proeftijd niet eerder dan op het moment van het voorwaardelijk strafontslag heeft kunnen ingaan. Dat betekent dat de thans aan betrokkene verweten gedragingen niet de bevoegdheid opleverden om tot tenuitvoerlegging daarvan over te gaan. Gedragingen die dateren van vóór het voorwaardelijk strafontslag, maar pas nadien bij verzoeker bekend zijn geworden, kunnen tot een andere vorm van bestraffing dan de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk ontslag leiden. Verzoeker kan de bevoegdheid om betrokkene daarvoor separaat van het voorwaardelijk ontslag een straf op te leggen niet worden ontzegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen