CRvB 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1161
Hoogte loopbaanpremie. Betrokkene is in de periode van 5 april 2005 tot en met 1 september 2005, waarin hij was aangewezen als herplaatsingskandidaat, op aanwijzing van het bevoegde gezag en onweersproken door appellant, werkzaam gebleven in een SB-functie (substantieel bezwarende functie). Met de rechtbank en anders dan appellant oordeelt de Raad dat een redelijke uitleg van de Tijdelijke regeling overstap naar een niet substantieel bezwarende functie (Tijdelijke regeling) meebrengt dat in dat geval de periode die voor de toepassing van artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling bepalend is voor de hoogte van de loopbaanpremie niet is onderbroken. Dit geldt evenzeer voor de periode van 31 december 2015 tot 1 mei 2016, waarin betrokkene de status van verplicht VWNW-kandidaat had, maar tot de opheffing van zijn (SB-)functie per laatstgenoemde datum in die functie werkzaam is gebleven. Voor de restrictieve uitleg van artikel 8, derde lid, van de Tijdelijke regeling, als voorgestaan door appellant, is geen steun te vinden in de bewoordingen van die bepaling, noch in de toelichting daarop. Voorts is een dergelijke restrictieve uitleg niet passend bij het doel en de achtergrond van de Tijdelijke regeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl