CRvB 11 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1121
De Centrale Raad van Beroep verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wijze van prejudiciële beslissing antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Kan een Turkse onderdaan die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat is toegetreden, de nationaliteit van die lidstaat heeft verworven zonder afstand te doen van zijn Turkse nationaliteit, en vervolgens vrijwillig afstand heeft gedaan van de nationaliteit van die lidstaat van ontvangst en daarmee van het Unieburgerschap, een beroep doen op artikel 6 van Besluit 3/80 om zich te onttrekken aan een woonplaatsvoorwaarde in nationale socialezekerheidswetgeving die wel kan worden tegengeworpen aan Unieburgers? 2. Moet artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 met inachtneming van artikel 59 van het Aanvullend Protocol aldus worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals artikel 4a van de TW, op grond waarvan een toegekende aanvullende prestatie wordt ingetrokken als de begunstigde naar Turkije verhuist, ook indien deze begunstigde het grondgebied van de lidstaat op eigen initiatief heeft verlaten nadat hij de nationaliteit van een lidstaat vrijwillig heeft opgegeven, terwijl niet is gebleken dat hij niet meer tot de legale arbeidsmarkt van die lidstaat behoort? Appellant bezit uitsluitend nog de Turkse nationaliteit en is met remigratievoorzieningen krachtens de Remigratiewet naar Turkije verhuisd. Toeslag op grond van de TW beëindigd. Appellant ontvangt een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 40,1%.
De uitspraak op rechtspraak.nl