CRvB 6 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4194
WW-uitkering ten onrechte blijvend geheel geweigerd en teruggevorderd in verband met verwijtbare werkloosheid. Het onderzoek door zowel het Uwv als de rechtbank is onzorgvuldig geweest. De achterliggende stukken, waaronder de diverse interne gedragslijnen van de bank, zijn eerst in hoger beroep ingebracht. Appellant faciliteerde in een periode dat de bank dit niet langer tolereerde, een cliënt ten aanzien van zwart geld en hij verrichtte financiële handelingen ten behoeve van die cliënt die hij achterwege had moeten laten. Gelet op de positie die appellant bekleedde, en met de wetenschap van de verandering in de opvattingen over de omgang met zwart geld bij de bank, treft appellant daarmee een ernstig verwijt. Dit ernstige verwijt brengt echter niet mee dat hiermee een ontslag op staande voet is gerechtvaardigd. Niet betwist is dat de bank daar ook enige tijd zelf rechtstreeks bij betrokken is geweest en voordeel van heeft gehad door de onderbrenging van het zwarte geld in Zwitserland. Appellant heeft zich ingespannen om bewerkstelligen dat van de inkeerregeling gebruik zou worden gemaakt en dat getracht werd het zwart geld onder het bereik van de fiscus te brengen. In december 2009 is dat ook daadwerkelijk gebeurd. Van een dringende reden is onder deze omstandigheden geen sprake, zodat er geen reden is om de maatregel van blijvend gehele weigering op te leggen. Gelet daarop is er evenmin reden om het aan appellant verstrekte voorschot terug te vorderen. Vernietiging bestreden besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl