CRvB 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3203
Weigering Wajong-uitkering terecht. Wettelijk kader. Toepasselijk recht. De beoordeling van de aanvraag van appellant om het recht op arbeidsondersteuning moet plaatsvinden aan de hand van de Wajong 2010. De bepaling van het overgangsrecht van artikel 8:10c van de Wajong geeft voor het toepasselijke recht op de aanvraag van appellant, waarop wordt beslist na 1 januari 2015, geen andere aanwijzing. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit terecht de Wajong 2010 toegepast. Omdat appellant zijn aanvraag heeft ingediend op 29 oktober 2014, kan in zijn situatie alleen recht op arbeidsondersteuning en inkomensondersteuning ontstaan als hij aangemerkt wordt als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van artikel 2:4, tweede lid, van de Wajong 2010. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong 2010. Bij de beantwoording van de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid ook duurzaam is, is het verlies aan verdiencapaciteit als bepalend criterium niet losgelaten. Er is in artikel 2:4 van de Wajong 2010 sprake van cumulatief gestelde voorwaarden, waaraan moet zijn voldaan alvorens de jongere aan te merken is als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt in de zin van deze bepaling. Medische beoordeling van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid Omdat in het geval van appellant bij de medische beoordeling is vastgesteld dat hij in staat is arbeid te verrichten (en ook feitelijk parttime betaalde arbeid verricht), wordt aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 2:4 van de Wajong 2010 niet voldaan en is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid geen sprake. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft bepaald dat er voor appellant geen recht op arbeidsondersteuning – en dus ook geen recht op inkomensondersteuning – op grond van de Wajong 2010 is ontstaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl