CRvB 2 augustus 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2709
De minister heeft bij de vaststelling van de berekeningsgrondslag van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de vader van appellant terecht geen rekening gehouden met een kortingsbedrag voor het kind op de voet van artikel 3.9, vijfde lid, aanhef en onder b, van de Wsf 2000. De veronderstelde ouderlijke bijdrage van de ouders van appellant is ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van de Wsf 2000, en dientengevolge de hoogte van de aanvullende beurs van appellant over de periode april tot en met december 2015 ingevolge artikel 3.13, tweede lid, van de Wsf 2000, juist vastgesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl