CRvB 21 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2659
Tussenuitspraak. Weigering Wajong-uitkering. Dat appellante op haar 18e jaar de wachttijd niet heeft volgemaakt laat onverlet dat appellante mogelijk aanspraak kan maken op arbeidsondersteuning op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wajong 2010 (zie uitspraak van de Raad van 5 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3041). De enkele stelling dat appellante slechts onder bepaalde randvoorwaarden haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten is onvoldoende om op basis daarvan arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong 2010 over de periode 2002 tot 2009 aan te nemen. Twijfel over de juistheid van de door de verzekeringsarts opgestelde FML waarin geen beperkingen zijn opgenomen. Er kleeft een gebrek aan de medische grondslag. Voor de definitieve beoordeling van appellantes aanspraken is van belang dat onderzocht wordt of er per einde wachttijd als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder b (1 januari 2005) van de Wajong 2010 sprake was van beperkingen voor het verrichten van arbeid uitgaande van de bij appellante gediagnosticeerde autistische stoornis, of er in de daarop volgende jaren sprake was van een toename van die beperkingen en of er voldoende arbeidsmogelijkheden voor appellante waren en functies geselecteerd kunnen worden die voor haar passend waren te achten. Het besluit is niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op de gebreken in de motivering te herstellen. Het Uwv dient daarbij uit te gaan van de verstreken termijn van vijf jaar conform het bepaalde in artikel 2:3, tweede lid, in samenhang met het eerste lid, onder b, van artikel 2:3 van de Wajong 2010.
De uitspraak op rechtspraak.nl