CRvB 15 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2138

Beëindiging privégebruik dienstauto. Vaststaat dat appellant niet op grond van een wettelijke regeling recht heeft op een dienstauto die hij ook privé mag gebruiken. Het beleid van de korpschef strekt ertoe een einde te maken aan de verschillende korpsregelingen en één regeling te treffen die voor de hele Nederlandse Politie gelijk is en is tevens een maatregel die tot kostenbesparing zal leiden. Het Dienstautobeleid komt erop neer dat geen recht bestaat op privégebruik van een dienstauto. Permanent gebruik van een dienstauto is op grond van dit beleid alleen toegestaan als dit voor de uitoefening van de functie noodzakelijk is. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk. Het betoog van appellant dat erop neerkomt dat, nu het besluit van 20 november 2013 in rechte vaststaat, de korpschef het privégebruik van de dienstauto van appellant niet (alsnog) kan beëindigen, slaagt niet. De korpschef was bevoegd het beleid over het privégebruik van dienstauto’s te wijzigen en op grond van het nieuwe Dienstautobeleid politie met ingang van 1 januari 2015 het privégebruik van de dienstauto te beëindigen. Voor medewerkers die privé al gebruik maakten van een dienstauto is een overgangsregeling getroffen door middel van de Tijdelijke regeling. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is. Op grond van dit beleid gold voor appellant een alleszins behoorlijke overgangsperiode/afbouwregeling van achttien maanden, waarvan hij nog gedurende een jaar privé van zijn dienstauto gebruik mocht maken en daarna tot 1 juli 2016 een financiële vergoeding heeft ontvangen. Niet gebleken dat aan appellant een onvoorwaardelijke toezegging is gedaan. Geen bijzondere omstandigheden. Geen strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken