CRvB 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3877
Beroep op verboden onderscheid in verband met beperkingen van uitzondering op de toepassing van de kostendelersnorm: Appellant heeft een IOAW uitkering en woont met zijn moeder in dezelfde woning. Per 1 juli is de IOAW verlaagt van 70 naar 68% van het bruto minimum loon. Volledig zakelijke relaties zoals (onder)huurderschap en kostgangerschap, waarbij sprake is van een commerciële prijs, blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing omdat de wijze van de kostenverdeling in deze situatie anders is dan bij medebewoners die geen zakelijke relatie met elkaar hebben. Zakelijke relaties tussen bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad zijn dus niet uitgezonderd van de kostendelersnorm, reden waarom appellant stelt dat dit gemaakte onderscheid in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM. Dit onderscheid betreft geen verdacht onderscheid zodat de verdragsstaat een ruime beoordelingsmarge heeft. Zo al sprake is van ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen is voor het gemaakte onderscheid een objectieve rechtvaardiging en is het een proportioneel middel. Vanwege fraudegevoeligheid en het tegengaan van schijnconstructies in de sfeer van familierelaties heeft de wetgever een zuiver zakelijke relatie tussen de belanghebbende en een medebewoner in de eerste-of tweedegraad bloedverwantschap buiten de uitzondering op de kostendelersnorm gehouden. Dit is te begrijpen vanuit de gedachte dat een dergelijk nauwe familieband een vaststaand gegeven is en in overwegende mate de totstandkoming, inhoud en naleving van het (onder)huur of kostgangersovereenkomst bepaalt zodat geen sprake meer kan zijn van een zuiver, zakelijke relatie. Dat appellant uit de bijlage bij het besluit tot verlaging van zijn uitkering heeft afgeleid dat overeenkomsten met familieleden in de eerste graad tot de uitzondering op de kostendelersnorm behoort betekent niet dat dit op één lijn is te stellen met een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging, zoals vereist voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl