CRvB 8 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3364

Straf opgelegd van een voorwaardelijke schorsing gedurende één maand, met een proeftijd van twee jaar. Plichtsverzuim. Het is noodzaak om in de functie van appellante in een penitentiaire inrichting met uiterste zorgvuldigheid en precisie te waken over sleutels en aanverwante zaken, dit vanwege het risico dat deze in handen vallen van gedetineerden. Dat dit laatste zich in dit geval niet heeft voorgedaan, betekent niet dat het in dit opzicht tekortschieten door appellante in het geheel geen plichtsverzuim inhoudt. Plichtsverzuim toerekenbaar. De minister was dus bevoegd om appellante een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde voorwaardelijke schorsing is niet evenredig aan de verweten gedragingen. De door appellante achtergelaten portofoon behoorde niet tot haar vaste werkuitrusting, maar was haar tijdens de bewuste gebedsdienst, onverwacht, in bewaring gegeven. Appellante ondervindt daarbij aantoonbaar nadeel van het nog altijd boven haar hoofd hangen van de voorwaardelijke straf. Appellante is tijdens haar langdurige dienstverband niet eerder disciplinair bestraft. De straf van een schriftelijke berisping is wél evenredig te achten aan wat appellante wordt verweten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen