CRvB 3 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2941
Op grond van artikel 1, aanhef en onder q, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen wordt onder aflossingscapaciteit verstaan het deel van het inkomen van de schuldenaar dat met inachtneming van de beslagvrije voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden aangewend voor betaling of verrekening van de vordering. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de beslagvrije voet in het geval van appellant terecht was vastgesteld op € 1.073,-. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom het Uwv geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om te verrekenen op de wijze waarop hij dit heeft gedaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl