CRvB 19 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:255
Ten onrechte anticumulatie toegepast met betrekking tot vrijval van de fiscale oudedagsreserve (FOR), welk bedrag in hetzelfde jaar geheel is aangewend voor de aanschaf van een bancaire lijfrentevoorziening. In de situatie van appellant is sprake van een bijzondere omstandigheid. Van doorslaggevende betekenis is de omstandigheid dat de verlaging van de oudedagsreserve is besteed aan het treffen van een inkomensvoorziening ter compensatie van een pensioentekort en dat die verlaging door de Belastingdienst geheel onbelast is gelaten. Cruciaal daarbij is tevens dat het bedrag volledig is besteed aan een lijfrente die uitsluitend leidt tot betaling van periodieke lijfrentetermijnen na het door appellant bereiken van de voor hem geldende pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar. In de specifieke situatie van appellant zou het toepassen van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO afbreuk doen aan het door de fiscale wetgever kennelijk beoogde doel, te weten het voorkomen van een pensioentekort bij ondernemers te faciliteren, hetgeen onder meer blijkt uit de speciale vermelding in artikel 3.70, eerste lid, onder a Wet IB 2001 van (de premie voor) de lijfrente en de fiscale aftrekbaarheid daarvan.
De uitspraak op rechtspraak.nl