CRvB 6 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:822
Hoewel niet alle gestelde feiten en omstandigheden meer verifieerbaar zijn, is de Raad er voldoende van overtuigd dat het kind ten tijde in geding zodanig van appellante afhankelijk was dat hij als gevolg van de weigering van het verblijfsrecht aan appellante, feitelijk gedwongen wordt met appellante het grondgebied van de Unie te verlaten. Dit betekent dat appellante een op grond van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht toekomt en dat artikel 6, tweede lid, van de AKW niet aan appellante mag worden tegengeworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl